De boot naar Texel

Als we naar Texel gingen, begon het avontuur al lang voordat we het water zagen. Door het dorp reden we langzaam, langs de huisjes die er allemaal een beetje hetzelfde uitzagen maar toch allemaal anders waren. Gordijnen achter ramen, een fiets tegen een muur, een kat op een stoep. Ik keek naar alles alsof het de laatste keer was.

En dan het wachten. Het lange, eindeloze wachten. Soms wel twaalf uur lang. De rij auto's die maar niet opschoot. De zon die op het dak brandde. Mijn benen plakten aan de stoel. We aten onze boterhammen op, dronken de thermos leeg, en nog stonden we er. Soms stapten we uit, even strekken, en dan rook je het al het zout, teer, en iets wat je niet kon benoemen maar wat zeker zee was.

Andere kinderen liepen ook rond. Niemand kende elkaar, maar we keken elkaar aan met die blik van: jij weet het ook. Dat gevoel van bijna. Van zo meteen.

En dan, eindelijk, na al die uren, schoof de rij op. En schoof nog een keer op. En dan zag je haar, de boot. Groot en wit en gewoon daar, alsof ze al de hele tijd op ons had gewacht.

We reden aan boord. De motor trilde onder onze voeten. En toen twintig minuten. Meer niet.

Het water glinsterde, de meeuwen schreeuwden, en voor je het wist lag Texel al voor je neus. Twaalf uur wachten voor twintig minuten varen. Als kind vond ik dat volkomen normaal. Nu weet ik dat het pure magie was.

Jose van Serrah